Van rekenen naar meten: inzicht in paaldraagvermogen

Het draagvermogen van funderingspalen wordt doorgaans bepaald aan de hand van erkende rekenregels. Proefbelastingen kunnen echter een directer beeld geven van de werkelijke capaciteit van een paal. Dat is bijvoorbeeld interessant bij het hergebruik van bestaande funderingen. Patrick IJnsen (Van ’t Hek/NVAF) en Rob van Dorp (Allnamics) lichtten de mogelijkheden toe tijdens de Partnerraad van KPCV op 17 juni 2026.

Waarom meten?

In de loop van 2025 verscheen een nieuwe versie van NEN 9997-1, de norm voor het geotechnisch ontwerp van constructies. Daarin zijn op basis van nieuwe inzichten een aantal ingrijpende wijzigingen doorgevoerd. Zo moet er voor veelgebruikte funderingspalen veelal met lagere paalklassefactoren worden gerekend. De norm staat toe om de capaciteit te bepalen op basis van afwijkende factoren en/of rekenmethoden, mits via proefbelastingen wordt aangetoond dat daarmee het benodigde draagvermogen wordt behaald.

Overigens is deze norm nog niet aangewezen in het Bbl (Besluit bouwwerken leefomgeving). Het is dus niet wettelijk verplicht je eraan te houden. Gevolg is wel dat er momenteel nogal wat onduidelijkheid in de markt bestaat over met welke waarden je nu moet rekenen.

Er zijn meer redenen om het draagvermogen van funderingspalen te meten. Zo kan het uitkomst bieden als bestaande palen worden hergebruikt in nieuwe situaties. Met name op dit aspect werd tijdens de Partnerraad ingegaan.

Wegnemen onzekerheden

Metingen kunnen veel onzekerheden over het draagvermogen van bestaande palen wegnemen – je meet immers de daadwerkelijke prestatie (‘as is’). Het gaat hierbij om onzekerheden over aspecten die het gerealiseerde draagvermogen kunnen beïnvloeden, zoals de werkelijk gerealiseerde paalafmetingen en voetdiepte, de paalconditie en de verstoring van de bodemomstandigheden door de paalinstallatie. In de ontwerpsituatie moet men daar rekening mee te houden, maar bij beproeving van een reeds geïnstalleerde paal zitten die aspecten ingebakken in het resultaat. Dankzij metingen komen daardoor verborgen veiligheden aan het licht. Die kunnen goed van pas komen als palen worden hergebruikt.

Metingen kunnen veel onzekerheden over het draagvermogen van bestaande palen wegnemen

Uiteraard kun je aan bestaande palen ook rekenen, maar daarbij is impliciet sprake van de nodige onzekerheden. Die nemen af als je de prestaties meet, waardoor je met lagere partiële veiligheidsfactoren kunt rekenen, zonder het veiligheidsniveau te verlagen.

Klassen

De Nederlandse norm voor uitvoering van proefbelasting beschrijft vier klassen van proefbelastingen: A t/m D. Het onderscheid tussen deze klassen heeft een sterke samenhang met de doelstelling: bij de klassen A1, A2 en B dient het resultaat als basis voor een funderingsontwerp (‘Wat is de exacte prestatie van de paal en hoe komt die tot stand?’). Bij klassen C en D dient het resultaat als controle van het gerealiseerde draagvermogen (‘Kan deze paal doen wat hij moet doen?’).
Dit onderscheid in doelstellingen zorgt ervoor dat bij klassen C en D kan worden volstaan met lagere testbelastingen en een eenvoudiger (= laagdrempeliger) testmethode. Daar staat tegenover dat de resultaten projectgebonden zijn.

Hoe testen?

Er zijn verschillende methoden om de capaciteit met metingen vast te stellen: statische proefbelastingen, dynamische proefbelastingen en rapid load tests.

Een statische proefbelasting (SLT) is de klassieke en meest directe methode . Met een vijzel of gewicht wordt een statische kracht op de paal aangebracht. De verplaatsing wordt gemeten en uitgezet tegen de krachten, wat leidt tot een last-zakkingsdiagram. Dat geeft informatie over het bezwijkdraagvermogen en de veerstijfheid van een paal. Als je deze test goed uitvoert, levert die betrouwbare informatie op. De uitvoering is echter niet altijd even eenvoudig, zeker als het om grote krachten gaat.

Er zijn verschillende methoden: statische proefbelastingen, dynamische proefbelastingen en rapid load tests

Bij een dynamische proefbelasting (DLT) valt een gewicht op de paal. Voor het aanbrengen van het valgewicht kan bijvoorbeeld een heistelling worden gebruikt. Soms zijn afzonderlijke apparaten nodig.

Bij een statische proefbelasting wordt de kracht statisch aangebracht. Bij een dynamische proefbelasting ontstaat de kracht doordat het vallende gewicht in korte tijd wordt afgeremd. Die kracht is ongeveer 50 tot 75 keer zo groot als de kracht die het gewicht alleen door de zwaartekracht uitoefent. Het valgewicht moet dus overeenkomen met 1 tot 2% van het vast te stellen statisch draagvermogen.

Bij deze test worden rekken en versnellingen gemeten, waaruit een last-zakkingsdiagram kan worden afgeleid. Dit is echter een rekenkundige afleiding. Het diagram volgt niet rechtstreeks uit de meetgegevens. Deze afleiding gaat gepaard met de nodige onzekerheden en de interpretatie van de meetgegevens is gebruikersafhankelijk en daardoor niet altijd eenduidig – dezelfde meetgegevens kunnen soms een behoorlijke bandbreedte aan resultaten opleveren. Daarom zijn meerdere metingen nodig en moet men voorzichtig omgaan met (bijvoorbeeld) het gemiddelde van de resultaten. Om die reden moet bij dit type testen een hogere veiligheidsfactor worden aangehouden.

Het grote voordeel van deze methode is dat je grotere krachten kunt genereren. Vooral bij complexere funderingsconstructies kan dat nodig zijn (foto 3).

Een derde methode is de rapid load test (RLT). Deze methode zit als het ware tussen een statische en een dynamische proefbelasting in. Het equipment waarmee de test kan worden uitgevoerd, kent verschillende verschijningsvormen. De meeste gaan uit van een valgewicht in combinatie met veerblokken of spiraalveren, die ervoor zorgen dat de tijdsduur van de testbelasting circa 15 maal langer wordt ten opzichte van een dynamische test. Hierbij is de gegenereerde testkracht ongeveer 20 à 30 zo groot als wanneer alleen de zwaartekracht zou gelden.

Met deze methode kunnen, net als bij statische proefbelastingen, rechtstreeks last-zakkingsdiagrammen worden bepaald, omdat de bijbehorende grootheden (kracht en verplaatsing) direct worden gemeten. Ze hoeven dus niet te worden afgeleid uit andere parameters en de resultaten bieden daardoor meer zekerheid. Ook is beproeving via meerdere belastingcycli mogelijk, met stapsgewijze vergroting van de valhoogtes.

Praktische uitvoering

Een belangrijke uitdaging bij het beproeven van bestaande palen is het lokaliseren en bereikbaar maken van de paal. Dat is vaak het kostbaarste deel; de meting zelf hoeft niet ingewikkelder te zijn dan bij een paal in het open veld. Bij een statische proefbelasting wordt een klein deel van de paal verwijderd. In dat deel worden een loadcell en een vijzel geplaatst, waarna de meting kan starten.

Na de meting is de paal weer gewoon bruikbaar

Na de meting is de paal overigens weer gewoon bruikbaar. De paal kan door de proefbelasting weliswaar iets zijn gezakt, maar heeft niet ingeboet aan capaciteit. Op de plek van het verwijderde deel wordt een schroefstempel geplaatst, waarna de paal wordt aangeheeld en weer in oorspronkelijke staat wordt gebracht.

Toepassingen

Er zijn zoals gezegd verschillende redenen om het paaldraagvermogen te meten. Het doel kan verschillend zijn. Zo kun je op zoek gaan naar de uiterste capaciteit van een paal of vaststellen of de capaciteit voldoende is voor wat je nodig hebt. Hiermee kan onnodige versterking of vervanging worden voorkomen, ook als bijvoorbeeld extra belasting wordt toegevoegd aan een gebouw. Dat is nogal eens aan de orde, dankzij de actuele trend van het optoppen van gebouwen. In ieder geval kun je met metingen de risico’s flink verlagen, en dat is heel wat waard.

Proefbelasten kan dus van grote waarde zijn. Het kan niet alleen kosten besparen, maar ook het materiaalgebruik en de daarmee samenhangende milieubelasting verminderen.

Bron: KPCV 25-08-2026

Aanmelden nieuwsbrief

Meld u aan voor de nieuwsbrief en blijf automatisch op de hoogte.